Dromen zijn bedrog

door Sophienne Bos

Naast mij zit mijn moeder. Haar gezicht is wit weggetrokken en haar mond is een stukje open gezakt. Als verdoofd kijkt ze naar de man tegenover ons. Ik denk terug aan mijn vader. Aan hoe de vetbobbel jaren later toch een kankergezwel bleek te zijn. Hoe hij drie maanden later stierf met zijn familie aan zijn bed.
Nu zat ik in dezelfde positie. Het plekje dat maanden geleden niets had geleken bleek kanker te zijn. De verwoestende ziekte trof ons gezin opnieuw.
Terwijl de man aan de andere kant van het bureau van alles uitlegt zit ik met mijn gedachten al heel ergens anders. Bij mijn vriend, mijn broertjes… mijn opa en oma. Op dat moment besluit ik dat ik niet doodga. Mijn vader moet nog even wachten. Het doorzettingsvermogen van mijn oma en moeder moet ergens in mijn lichaam terug te vinden zijn. Een doorzetter, dat zal ik zijn. Ik sterf niet. Mijn vader moet nog even wachten.
In de auto zwijgen mijn moeder en ik. Ik ben doodsbang. Niet zo zeer voor de kanker die mijn lichaam overheerst maar 1) voor mijn moeder die nu achter het stuur zit en door de tranen nauwelijks kan zien wat ze doet en 2) voor de confrontatie thuis.
Mijn lichaam voelt verdoofd. Mijn hersenen nog meer. Ik denk terug aan mijn vader. Ik zie zijn glimlach, de angst in zijn ogen. Hij was niet bang voor de dood zei hij, hij was bang voor ons. Dat wij zonder vader zouden moeten opgroeien. En nu, nu gaat mijn moeder kapot en laat ik mijn broertjes achter. Ik ben niet bang voor de dood, ik ben bang voor de tijd. Voor de troep waarin ik mijn geliefden achterlaat.

We zitten aan tafel. Mijn moeder met het hoofd in haar handen, huilend. Mijn jongste broertje is weggestormd met tranen in zijn ogen. Mijn andere broertje zit versteend op zijn vaste plek. Ik denk dat hij boos is, hij ziet er boos uit. Ik sta op en schenk mijzelf een glas appelsap in. Iedereen huilt, iedereen behalve ik. Ik ben verdoofd. Ik ga niet dood. Mijn vader moet nog even wachten.
‘Ik ben nog niet over papa’s dood heen,’ verbreekt mijn broertje de eeuwige stilte.
Ik draai me naar hem om. Hij staart me aan met dodemans ogen. Ik kan niet zien of hij boos of verdrietig is.
‘Ik ga niet dood,’ zeg ik, ‘Papa moet nog even wachten.’
Hij reageert niet. Hij legt zijn hoofd in zijn handen, zoals mijn moeder ook nog altijd zit.
‘Ik ben nog niet over papa’s dood heen,’ zegt hij nu nauwelijks verstaanbaar.
Ik begin boos te worden. Op mijn lichaam. Op mijn kanker. Die klote kanker in mijn lichaam maakt mijn gezin verdrietig en dat wil ik niet. Dat wil ik helemaal niet.

Mijn moeder had gezegd dat ik mijn opa en oma’s moest bellen. Ik pak mijn moeders autosleutels en loop naar de auto toe. Dit moet niet over de telefoon. Ik stap de auto in en trap de koppeling in. Nog voordat ik de motor gestart heb gaat mijn moeder op de bijrijdersstoel zitten. Vlak nadat de motor is gestart stappen mijn broertjes achterin.
De radio wordt aangezet. Veel te hard, natuurlijk.
We laten het huis achter en rijden weg. De hond blaft.
Ik ga niet dood. Mijn vader moet nog even wachten.
Het is een uur rijden. Een uur lang let ik op de weg. Nog nooit heb ik zo gefocust achter het stuur gezeten. Terwijl wij alle auto’s voorbij rijden is mijn gedachte weer bij mijn vader. Ik herinner mij mijn jongste broertje, huilend aan zijn bed. Zijn helder blauwe ogen doorweekt. Ik herinner mij mijn andere broertje, verdoofd op de bank. Ik herinner mij mijn moeder die probeerde het hele zooitje te regelen. Ik herinner mij de familie, kapot, verdrietig en hard aan het werk. Ik herinner mij de Chinese afhaaldoosjes. Zouden ze ook chinees eten als ik dood ben? Ik ga niet dood! Mijn vader moet nog even wachten!

We komen aan bij mijn opa en oma. Ik steek de sleutel in het slot, draai hem om en loop de woonkamer in. Enthousiast verbaasd kijkt mijn oma mij aan. Ze staat op en omhelst me. ‘Wat leuk dat je er bent,’ zegt ze. Dan verandert haar gezicht in een grimas. Mijn lijkbleke moeder is binnen gelopen. Mijn oma zakt terug in haar stoel en mijn opa zegt iets, ik hoor niet meer wat…

En dan… dan word ik wakker in mijn zachte bedje in mijn kamertje in Amsterdam. Alles is maar een droom, gelukkig, maar een droom die zo realistisch was dat hij mij al dagen achtervolgt. En dus schrijf ik hem op, en nu is het gevoel weer weg.
Ik word niet ziek, ik word oud :)

En zelfs uit dromen kun je soms een wijze les trekken: Laten we elke dag dankbaar zijn voor de dag die ons gegeven is. Het kan zomaar afgelopen zijn!