Een maand alleen op reis – #15 Voetjes in de Middellandse Zee bij Piran

door Sophienne Bos

In een ongelofelijk warme bus rij ik van Koper naar Piran. Aan de ene kant de zee, aan de andere kant wijngaarden. Ik heb nooit geweten hoe mooi de natuur in Slovenië is, en geniet met volle teugen. De horror hostel even vergeten, hoewel ik daar vanavond natuurlijk weer naar terug moet.

Aangekomen in Piran loop ik met de stroom toeristen mee langs het kleine haventje (met een verkeersbord (zie foto) waar ik heel hard om moest lachen!), richting de oude stad. Links de zee, rechts restaurant na restaurant. Ik vind het allemaal een beetje te druk om in mijn eentje met mijn boek te gaan zitten. Voor ik het weet ben ik al bij de bocht. Vanaf dit punt kan je zowel de kust van Kroatië als die van Italië zien. Ik blijf even de verte in turen en loop dan verder. De terrasjes hier liggen aan het water, in plaats van met tussen het terras en het water de weg ertussenin zoals voor de bocht. Er is bijna niemand. Ik ga op bankje zitten met heerlijk zachte kussens en bestel een fruitbiertje. Mijn boek ligt onaangeraakt op tafel. Ik kijk naar de bootjes, naar een duikles vlak naast mij en naar de kust van Italië in de verte.

Na ruim een uur gezeten te hebben besluit ik door Piran te gaan lopen. Net als Koper is Piran heel klein. Binnen no-time heb ik meerdere weggetjes gevolgd die uitkomen op hetzelfde punt. Mijn knie is ook moe, tijd om de bus terug te pakken. En dan zie ik het kasteel op de berg. Natuurlijk besluit ik om de klim te maken en van het uitzicht te genieten.

De weg is steil, en pijnlijk voor mijn knie, maar het blijkt het compleet waard te zijn als ik eenmaal boven sta. Voor 1 euro kan ik door een poortje om de oude muur op te klimmen en vanaf het hoogste punt naar Piran te kijken.

Wachtend op de bus stap ik even de Middellandse Zee in, gewoon omdat het kan. Het ijskoude water kleurt mijn voeten al snel rood. Tijd om terug te gaan.

In Koper besluit ik even langs het kroegje te lopen waar ik de dag daarvoor was geweest. Brigita had gezegd dat ze weer zou moeten werken. Onderweg zie ik een man en vrouw hand in hand lopen. Niets raars aan, zou je denken, tot ik het maskertje zie dat de man draagt. Hij bestond dus echt, dit is de man uit de hostel die mij de kriebels had gegeven! Opeens is de mug geen olifant meer en is mijn angst voor de hostel direct verdwenen.

Brigita is blij als ik binnenloop. Drie mannen zitten apart van elkaar een biertje te drinken en verder is er niemand. ‘Over drie uur ben ik klaar met werk. Wil je samen eten?’ Ik ga aan de bar zitten en pak mijn boek. We kletsen, drinken koffie en als ze druk is lees ik mijn boek. Als ze ’s avonds wordt overgenomen neemt ze me mee naar Planet Tûs. Een soort Amerikaanse mall, met bowling, bioscoop, restaurantjes en winkels. Iets waar elke Sloveen in zijn jeugd te vinden is, volgens haar.

Na het eten gaan we nog ergens wat drinken. In mijn kamer ligt een meisje. Ze vertelt dat ze de dag daarna een examen heeft. Veel studenten wonen niet in Koper, maar studeren er wel. Als ze vroeg examen hebben slapen ze altijd in een hostel, legt ze uit. We praten een hele tijd over haar studie, pedagogie, en daarna over politiek en mensen. Over hoeveel mensen we zouden kunnen bereiken als we samen zouden werken.

Om zes uur ’s ochtends wekt ze me kort om mij te groeten voordat ze weggaat.
Twee uur later sta ik om. Tijd om naar Zagreb te gaan.