De dood in een lichtgroene rugzak

door Sophienne Bos

Op haar rug droeg Moniek de dood in een lichtgroene rugzak. Ze wist precies waarnaar ze op zoek was. Haar doel was heel helder. Alleen waar kon ze het vinden?

Bijna een uur liep ze rond. De hoop bijna opgegeven. Toen, op een bijna uitgestorven pleintje ergens in West, vond ze wat ze nodig had. Ze trok haar handschoenen aan. Pakte uit haar zak het pistool waarvan ze bang was hem te gebruiken. Ze had geen keus, vertelde ze zichzelf keer op keer.

Liefde alleen niet genoeg

door Sophienne Bos

Een tijdje geleden kwam ik een schrijfwedstrijd tegen. De uitdaging: schrijf in precies 335 woorden (inclusief titel) een verhaal met het thema ‘Eerste liefde’.
335 woorden. Precies. Zoiets had ik nog niet eerder gedaan. Leuk, dacht ik, ik doe mee.
Er waren vier prijzen: de 1e, 2e en 3e prijs en voor het meest ontroerende verhaal een illustratie bij je verhaal.

En na een paar weken, toen ik al bijna vergeten had dat ik mee had gedaan, kreeg ik de e-mail waarin stond dat uit 146 inzendingen mijn verhaal het meest ontroerende verhaal is geworden.

Liefde alleen niet genoeg (eigenlijk had het Liefde alleen is niet genoeg moeten zijn, maar dan waren het 336 woorden. En achteraf vind ik dit nog mooier ook).

‘Ik hou van je,’ fluister ik tegen de dichte deur.illustratie
Het kussen naast het mijne is nog warm. Zijn geur hangt in de kamer. De geur die mij doet denken aan limoengras, hoewel hij daar niet eens van houdt.

Mijn Eerste keer

door Sophienne Bos

En dan is het moment daar. Ik word gepubliceerd :)
Na de zes gedichtenbundels waar ik in sta, mag ik nu dan ook een verhalenbundel op mijn lijstje zetten. Ik ben blij dat ik mijn angsten heb overwonnen en toch maar eens een verhaaltje heb ingestuurd.

Uit 153 zijn 16 verhalen gekozen voor de bundel ‘Mijn eerste keer’ van de jonge uitgeverij Oevers.
Hier mijn voordracht:http://youtu.be/cd0e9bBmGsg 

En hieronder mijn korte verhaal:

Dromen zijn bedrog

door Sophienne Bos

Naast mij zit mijn moeder. Haar gezicht is wit weggetrokken en haar mond is een stukje open gezakt. Als verdoofd kijkt ze naar de man tegenover ons. Ik denk terug aan mijn vader. Aan hoe de vetbobbel jaren later toch een kankergezwel bleek te zijn. Hoe hij drie maanden later stierf met zijn familie aan zijn bed.
Nu zat ik in dezelfde positie. Het plekje dat maanden geleden niets had geleken bleek kanker te zijn. De verwoestende ziekte trof ons gezin opnieuw.
Terwijl de man aan de andere kant van het bureau van alles uitlegt zit ik met mijn gedachten al heel ergens anders. Bij mijn vriend, mijn broertjes… mijn opa en oma. Op dat moment besluit ik dat ik niet doodga. Mijn vader moet nog even wachten. Het doorzettingsvermogen van mijn oma en moeder moet ergens in mijn lichaam terug te vinden zijn. Een doorzetter, dat zal ik zijn. Ik sterf niet. Mijn vader moet nog even wachten.
In de auto zwijgen mijn moeder en ik. Ik ben doodsbang. Niet zo zeer voor de kanker die mijn lichaam overheerst maar 1) voor mijn moeder die nu achter het stuur zit en door de tranen nauwelijks kan zien wat ze doet en 2) voor de confrontatie thuis.
Mijn lichaam voelt verdoofd. Mijn hersenen nog meer. Ik denk terug aan mijn vader. Ik zie zijn glimlach, de angst in zijn ogen. Hij was niet bang voor de dood zei hij, hij was bang voor ons. Dat wij zonder vader zouden moeten opgroeien. En nu, nu gaat mijn moeder kapot en laat ik mijn broertjes achter. Ik ben niet bang voor de dood, ik ben bang voor de tijd. Voor de troep waarin ik mijn geliefden achterlaat.